maandag 2 juli 2018

Wereld woekerplaten

Ik geloof dat we nieuwe regels hebben verzonnen.
Dat ik met mezelf heb afgesproken om altijd van mij te houden.
En als jij me haat, heb ik altijd mezelf nog lief. Dat is belangrijker dan de rest.
Ik zie een toekomst voor me waarin we een nieuwe wereld bouwen. Op onze manier.
En we hoeven geen rekening te houden met de eisen waaraan we dachten te moeten voldoen.
We kunnen lachen om onszelf en huilen om de buitenkant.
Dat mag altijd.

In ons wereldje omgeven door glas in lood en woekerende planten scheppen wij licht.
En alles groeit vanuit liefde.
Wat doet de rest er dan nog toe?

L.B.


Naakt

Ik heb geleerd hoe ik onbeschaamd naakt door de kamer kan dansen.
Met een mantra in mijn hoofd en mijn ogen dicht, stap ik over de stofwolken en de scheuren in de vloer.
Ik doe net alsof ik alleen ben en niemand me kan zien.
Draaiend en zoekend laat ik alles los.
Je zou trots op me zijn.
Nooit eerder durfde ik dit.

L.B. 

zondag 1 juli 2018

Duinen

Het verloopt allemaal.
Precies zoals het gaat.
Ik had van te voren niet bedacht hoe het had kunnen zijn en nu het zo is gegaan, kijk ik terug zonder mening.
Ook de toekomst is onzeker en het kan alle kanten op.
Maar ik heb geen oordeel. Ik plan niet. Het heeft toch geen zin.
Elke dag brengt andere dingen met zich mee en elke dag voel ik me een ander.
Van te voren kan ik niet bedenken hoe ik iets aan zal pakken.
Het is hoe het is. Ik kan alleen maar nu zijn.

Maar mijn lief, ik heb je nog.
Ik heb je in mijn hart en mijn herinneringen.
Wie ik was. Wie jij was. Wie we nu geworden zijn.
En elk moment dat we hadden en elk moment dat we nooit zullen hebben.
Liefde is niet voorbestemd, niet verpakt in ingewikkelde voorspellingen.
Soms weet ik niet wat er precies gebeurd is en soms is het heel helder voor me.
Soms wil ik huilen en in armen kruipen.
Andere keren wil ik dansen en naar niemand kijken.
Vanmiddag liep ik naar huis en de zon scheen op de sloot, die altijd stinkt naar dode vissen.
Ik dacht aan een andere dag in het park, waarop ik misschien wel dubbel zoveel zorgen had maar waarop ik daar niets om kon geven.
We hadden misschien niet eens zoveel aan elkaar te vertellen maar we hoefden alleen maar te voelen.
De tijd zou wel voor ons bepalen.
En het was een moment dat later nooit meer zou gebeuren.
Achteraf zou ik willen dat ik het moment meer in me had opgenomen.
Samen alleen maar zijn en elkaar leuk vinden.
Onze voeten in een bad vol mogelijkheden. Onze ogen in de zon. Onze handen langs elkaar.

Misschien ben ik gewoon alleen maar moe.
Op de fiets door de duinen zwevend, werd het helder voor me dat het geen zin heeft om achter een keuze te staan
die ik voor de helft accepteer. Dat een compromis sluiten heel pijnlijk is.
Omdat ik dan stukjes moet laten gaan, stukjes dood moet bloeden.
En dat wil ik niet.
En ik kom er misschien wel.
Maar nu kan ik dat nog niet denk ik.
Het voelt in ieder geval niet comfortabel om een beslissing te maken en om die de wereld in te brengen.
Mensen uit mijn leven zetten en tegen anderen zeggen dat ik voor altijd met ze door ga.
Dat voelt zo definitief dat ik er bang voor ben.

Het voelt soms alsof ik mijn hart niet kan laten spreken. Alsof er zoveel gezegd moet (of mag) worden dat ik geen manier heb om het te luchten, om er zuurstof bij te laten. Daardoor lijkt het soms alsof ik in brand sta van binnen.
Verlangen, of onzekerheid. Geen idee hoe ik het moet noemen want het is er gewoon.
Het is allemaal nu.
Het enige dat ik kan doen is de tijd nemen.
Realiseren dat er tijd is.
En dat er mensen om mij geven en ik van hen.
Ook van een afstand.
Al lijkt het soms alsof we nooit aan elkaar denken. Ik weet dat ik af en toe in hun hoofd voorbij fladder.
En zij ook in dat van mij.
Zo verloopt het allemaal.
Zo gaan we gewoon maar door.

L.B. 



woensdag 27 juni 2018

Over een trol

In mijn achterhoofd heb ik al een paar jaar een beeld van hoe ik mezelf 'later' zie.
Hoewel ik nu niet van koken hou, ben ik daar later heel goed in. Met de keukendeuren open (uitzicht op de lang uitgerekte megatuin) en de zon die naar binnen schijnt, sta ik in mijn hoofd op blote voeten een pasta van hier tot tokio klaar te maken voor een groep vrienden die lekker ruikt en leuke grapjes maakt.
Op de achtergrond speelt halve harpmuziek en indianeninstrumenten en er is een kat die langs mijn benen strijkt en lief naar me kijkt.
Met lang haar en nog een langere jurk, een bruine huid van de zon en een gezin. Waar ik gelukkig mee ben en trots op ben.
In mijn hoofd is het altijd zomer en sta ik in verbinding met de aarde.
Ik ben er yoga docent, bekende schrijfster, tattoo designer, kunstenaar en ik heb drie verschillende soorten rijbewijzen om te bewijzen dat ik ook nog een beetje cool ben. Ik ben een vrouw maar wel een met een scherp stoer randje in mijn hoofd.

In het echt voel ik me meer trol dan vrouw.
Eigenlijk ben ik helemaal niet zo cool en duurt het halen van mijn eerste rijbewijs al meer dan een half jaar (wat me natuurlijk veel te langzaam gaat maar ja, die tijd heb ik blijkbaar nodig). Ik ben niet fit en ik doe wel aan yoga maar de opleiding is me nog iets te duur en ik heb vaker rugpijn dan me lief is.
Naar de buitenkant doe ik vaak alsof ik het voor elkaar heb maar eigenlijk pleurt alles van tijd tot tijd uit elkaar en maak ik de ene domme beslissing na de ander omdat ik niet in het hier en nu wil zijn en er helemaal niks van begrijp.
Als ik  in het hier en nu mijn keukendeur open zou doen, flikkert mijn kat van het balkon af en bruin ben ik voorlopig nog niet omdat ik steeds binnen zit om mijn scriptie af te maken. Ik hou de deuren potdicht uit angst dat ik iets verlies.
Eigenlijk wil ik dat hele plaatje ook niet perse.

Wat ik eigenlijk wil is iemands muze zijn.
Dat iemand mij zo godvergeten interessant en sexy vind dat het niet uit maakt hoe lang mijn jurk is, hoe lang mijn haar krult, hoe lang mijn tuin reikt. Dat iemand altijd vindt dat ik lekker ruik en dat ik van alles kan en dat ik alles waard ben.
En eigenlijk wil ik dat natuurlijk ook helemaal niet.

Eigenlijk wil ik in het hier en nu willen zijn en mezelf interessant en sexy genoeg vinden om dit stukje tekst niet te schrijven.
Eigenlijk wil ik mezelf helemaal en alles waard vinden.
Ook als ik een scriptie schrijvende stinktrol ben met de deuren dicht.


 


vrijdag 22 juni 2018

Terschelling zee

Tussen het gruis van alles dat ooit leven kende, baad ik mijn voeten.
Ze zijn zwaar.
De aarde schrok me altijd af maar het zand is zacht en vult de ruimte tussen de gaatjes.
Ik kan erin wegzakken, het water me op laten slokken en ineens nog maar bestaan tot aan mijn enkels. 
Jij noemde mijn voeten vaak onsamenhangend. Alsof mijn tenen er later bij verzonnen waren,
geïmproviseerde aanplaksels.
En in de wind langs de duinen, hoor ik stemmen van oude mensen waarvan ik zou zweren dat het kinderen zijn. Alsof hun stemmen nooit geleerd hebben zich te vormen naar hun verouderende drager. Altijd blijft die ontwikkeling steken in hun keel. Er komt iets uit dat niet samen hangt met de buitenwereld.
Zou dat ook zo bij voeten werken? Als je nooit geleerd hebt om te zwerven, nooit ├ęcht gereisd hebt, worden die stokjes dan wel deel van mij? Zodat ik ze in alle glorie tenen kan noemen?
Of blijven het altijd de onderste, allerlaatste delen van mijn lichaam, waar ik eigenlijk nooit naar om kijk en waar ik eigenlijk niet echt om geef?
En dat terwijl ze me dragen, mijn balans bewaren, mijn contactpunt zijn met de aarde.
Zoals stemmen contactpunten zijn met andere mensen.

Prachtig hoe de wind geluiden afstompt. Het maakt de lucht iets dragelijker, iets meer dicht bij mij.
En het water stompt de warmte af van het bloed dat naar mijn voeten zou moeten stromen.
Straks zijn ze blauw en net zo onlevend als de zee waarin ze staan.

Ik denk dat ik liefdesverdriet heb maar ik kan het niet benoemen.
Zoals de wind geluiden neemt, de zee de warmte neemt, zo neemt iets in mijn lichaam de pijn.
Het past niet. Het mag er zijn maar het komt niet. Het is de tijd nog niet.
Ik lijk meer op mijn voeten dan ik beseffen wil.
Misschien is mijn hoofd wel net zo onsamenhangend en probeert zand en gruis van alles dat ooit leefde zich een weg te banen in de ruimte tussen de gaatjes.

L.B. 

vrijdag 15 juni 2018

My lighthouse

You are needing a friend
For to follow, for to fend
And I haven't got a clue
If I'm getting through to you
My lighthouse

In the violent moonlight I am searching the tide In a vessel, in the storm
And you're the kind host, in the port
My lighthouse

And we'll be there to right our wrongs
In the time it took to write this song
And we'll beat the ghost with our bare hands
And we'll skin the corpse and we'll love and laugh
And we'll dance all everlasting day
And you'll sing to me everything I meant to say
And we'll drink to the gentle, and meek and the kind
And the funny little flaws in this earthly design
From the Reeperbahn to the Sundarban I will heed your call from the dust and the sand
And I'll save all my stories for thee

-Villagers