donderdag 20 februari 2020

Volgroeid

Kun je mij nog raken
op de plekken die mij maakten
op goed geluk een kind te zijn
of ben ik nu geworden

Zie je mij op dagen
die de lente doen vervagen
die tussen onze mouwen kruipt
een winter tegemoet

en laat je dan een zoet en pril begin
of is dit al genoeg
en raak je me er midden in
omdat ik erom vroeg
of zomaar, uit jezelf

L.B.

donderdag 13 februari 2020

Bloed

Gewoon alles. Tot in detail.
Geen twijfels, geen schaamte, geen zelfhaat, geen beschuldigigingen, geen opvattingen van anderen, geen theorie├źn, geen ongevraagde adviezen, geen excuses, geen probeersels, geen jaloezie, geen vluchtroutes, geen leugens, geen mening, geen woede, geen wijzende vingers, geen pleisters.
Alleen maar zacht naar binnen kijken en het laten bloeden als dat het nodig had.

L.B. 

woensdag 29 januari 2020

Land

Zachtjes landend weet ik
dat de dagen brengen wat
en wie ik ooit wil zijn
en ik zie je nauwelijks meer
maar niets dat er toe doet zegt mij
nog langer welke pijn
welke vragen komen
bedoeld om weg te dromen
over levens, liefdes, wijken
en ik stop met vergelijken want
ik ben nu eenmaal hier beland. 

maandag 13 januari 2020

Het begin van een inzicht

In koffiezaakjes maak ik me zorgen om mijn laptop.
Hij bromt en gorgelt en het knopje met het cijfer 6 ontbreekt.
Aan de lange werktafel zitten allemaal macbookmensen met groene matcha drankjes. Mijn mutsige gemberthee voelt erg in lijn met mijn uit elkaar vallende laptophoes en de agenda waar het kattenhaar uit puilt.
Als je goed kijkt zie je precies waar Pim heeft geknaagd, sommige pagina’s zijn nu al korrelig met kleine gaatjes. Het is nog maar januari...
Ik ben me ontzettend bewust van het kattenhaar dat ook aan mijn winterjas kleeft, de droge restjes lippenstift in mijn mondhoeken en mijn pluizige knotje.
Het maakt niet uit hoe vaak ik de roller eroverheen heb gehaald, de witte haren zitten verweven in mijn jas.
Dit is het derde koffiezaakje van de dag.
Naast de gare laptop ligt een tosti die veel te groot is voor mijn mond. De korst is kneiterhard en de gelige kaas maakt me misselijk.
Ik weet niet hoe ik hem moet eten dus ik verdrink hem in de ketchup en leg hem terug op het bord.
Ik heb al veel te veel koffie gedronken en ik heb honger. Terwijl ik cijfertjes over neem op mijn laptop trillen mijn vingers over de toetsen.
Als ik bij de zes aan kom moet ik drie keer rammen voordat er iets gebeurt.
Ik voel mijn hart in mijn keel, borst, achter mijn ogen en in mijn oren.
Mijn schouders moet ik om de tien minuten bewust naar beneden drukken.
Het voelt alsof alle mensen kijken. Alsof iedereen zo door me heen kan zien en weet dat ik geen geld heb voor een nieuwe zes, geen tijd heb om mijn jas te ontharen, geen zin heb om kaasslierten van mijn kin te plukken.
Terwijl ik baal van mijn tosti gaat de deur beneden open. Ik heb precies uitzicht op wie er binnen komt om koffie to go te bestellen.
Mijn hart maakt een sprongetje maar het is een meisje dat ik niet ken.
Steeds als ik het belletje van de deur hoor hoop ik dat er iemand binnen komt die ik ken. Iemand om de focus te verleggen. Iemand die tegen me aan praat zodat ik gewoon mijn tosti naar binnen kan slurpen.
Of iemand die iets met me doet, me hier vandaan haalt, me verrast.
Het meisje gaat te dichtbij me zitten. Ik irriteer me want er is genoeg plek aan de hippe macbooktafel maar ze komt naast mij. Ik zet mijn muziek nog harder, noem haar zo zacht als ik kan een kutwijf en staar naar de deur.
Hopelijk zie ik er mysterieus uit. Niet te rood. Niet te pluizig, te gezellig. Ik plant mijn ellebogen breder zodat de tafel meer van mij voelt.
Het is onaardig van me maar ik weet niet hoe ik er anders mee om moet gaan. Ik krul mijn benen in de knoop.
Zelfs door de muziek heen hoor ik mijn laptop kreunen.

Uit Enea - Lot Bouwes

woensdag 8 januari 2020

Dansend

Nog altijd voelt de vrijdagavond gevaarlijk. Ik verlies iets van wie ik ben omdat ik tijdens het dansen iets vind dat ik zo lang heb gemist. Een nieuwe manier van loslaten en herpakken. Ik word verliefd op alles om me heen, niets is zoals thuis, zoals de dagelijkse dingen. Ik word verblind door de oranje lampen, verdoofd door de muziek. Ik kan alles zijn. Het is dansend hoe ik dingen verpest.


Na dat eerste vriendje kwamen er allemaal nieuwe mensen. Ik ontdekte delen van mezelf in gesprekken met onbekenden. Bij elke gesprekspartner kon ik opnieuw beginnen. Als hij iets tegen was gekomen dat ik niet leuk vond aan mezelf, kapte ik het af. Dan zocht ik iemand anders om mezelf mee te leren
kennen. Wat zij te zeggen hadden interesseerde me even weinig als jouw kaarttrucjes destijds.
Het was de manier hoe hun wimpers bewogen, traag en zwaar. Het was de manier waarop mijn haar langs mijn nek krulden, onze voeten over elkaar heen vielen. Het ging me om de vorm.
Daar was ik, in controle. Ik wilde medusa zijn, de boze heks. Mensen moesten magie in mij ontdekken, iets gevaarlijks dat alleen op vrijdagavond bij me naar boven kwam. Gesprekken over andere opvattingen. Het ging me niet eens om iets anders dan dat.
Ik kon alles vormen, een nieuwe wereld scheppen om me heen.
Overdag deed er niet toe. Dan verloor ik mezelf in de muziek en de zwierige meisjes. Eigenlijk ook een andere wereld, waarin ik niet bestond.

zaterdag 7 december 2019

Dingen

Er zijn dingen die altijd in mijn hoofd rond zullen blijven dwalen.
Ik heb ze bewust geen plek gegeven omdat het ik het dan moet bespreken.
Omdat ik je dan moet vertellen wat er allemaal mis is gegaan. Ik dacht dat, wanneer ik ze negeerde, ze langzaam op zouden lossen. Zolang ik het ‘dingen’ zou noemen, ze niet zouden blijven bestaan.
Vormloos.
Ze zijn nog steeds vormloos maar het zijn nog steeds dingen.
Na anderhalf jaar verteren ze nog steeds niet. Soms liggen ze stilletjes in de diepte te rusten. Als donker water dat roerloos wacht. Maar andere keren dwarrelen ze als bladeren in een storm door mijn dagen.
In de bus, op de fiets, in de kroeg, op mijn werk, langs de slootjes in de stad. Er zijn plekken waar ik niet kan komen zonder aan de keren te denken dat mijn wereld er heel anders uit zag. Toen alles mis ging maar ik vrij was. En ook weer gevangen in andere regels.
Ik maak me soms zorgen dat ik je steeds opnieuw moet kwetsen.
Net zolang tot de dingen zich een weg hebben gebaand in mijn verhaal. Het lijkt wel alsof ze zelf groeven hebben gegraven. Als ik het niet doe, doen ze het zelf wel, de dingen.
Keihard.
In mijn hoofd.
Diepe groeven waar ze eindelijk in mogen bij komen. Als een soort zelf gegraven graf. Met wijd open ogen liggen ze daar, alert, tot de volgende storm. Tot ik weer langs een plek fiets waar een herinnering me buikpijn bezorgt. Schaamte en iets anders. Dan mogen ze als slapeloze peuters rondrennen, als bladeren rond dwarrelen, als kettingzagen nieuwe wonden maken.
Wanneer ik ze niet toedek, hun ogen sluit, blijven ze me wakker maken.
De dingen zonder naam.